- Nieuws
- E-Tools
- Over ons
- Ondernemers
- Particulieren
- Online schadeaangifte
"Het rendement van de aanvullende pensioenen is niet bedreigd"

De beursval zet de aanvullende pensioenen onder druk. Toch hoeven de verzekeringnemers zich geen zorgen te maken, zegt de beroepsfederatie Assuralia. Zij hebben een fiscale vrijstelling en een gewaarborgd rendement. Bovendien leveren die formules geld op voor de Belgische schatkist.
Door de huidige malaise in de eurozone zijn de aandelenkoersen de afgelopen maand diep in het rood gedoken. De gemiddelde burger die aan pensioensparen doet, vreest daardoor voor zijn spaargeld. Begin deze maand maakte de Belgische Vereniging van Pensioeninstellingen (BVPI) bekend dat het rendement van de pensioenfondsen in de eerste helft van dit jaar is gedaald tot 1,14%. Sindsdien is de beurs nog verder gecrasht. Volgens BVPI-voorzitter Philip Neyt zullen de Belgische bedrijven op termijn 150 à 300 miljoen euro meer moeten storten in hun pensioenfonds, omdat obligaties de volgende decennia minder zullen opbrengen. Dat is evenveel als 15 à 30% van de jaarlijkse premies.
Daarnaast is de waarde van de pensioenspaarfondsen in het eerste semester van 2011 al gedaald met 1,1 miljard euro - een achteruitgang met 9%. Dat komt neer op een gemiddeld verlies van 784 euro per deelnemer op een totaal van 1,35 miljoen beleggers. Dat bedrag is het dubbele van het fiscale voordeel dat de belastingplichtigen hebben voor die investering.
Vast rendement
Meer dan twee op de drie Belgen leggen tijdens hun loopbaan geld opzij voor na hun pensioen. Daarvoor kunnen ze gebruikmaken van twee systemen. 3.015.126 Belgen (inclusief dubbeltellingen) hebben een groepsverzekering of een pensioenfonds van hun werkgever - de zogenoemde tweede pensioenpijler. 2.740.000 Belgen storten geld in een pensioenspaarfonds of een individuele levensverzekering - de derde pijler.
Iets meer dan de helft van wie aan pensioensparen doet (54 %), belegt zijn geld bij de bank in een dynamisch of een defensief pensioenfonds. De rest doet een beroep op een verzekeraar (46 %) . De gemiddelde storting in 2010 bedroeg 741 euro per jaar. De overheid moedigt beide stelsels fiscaal aan, omdat het wettelijk pensioen steeds meer onder druk staat door de vergrijzing van de bevolking. Toch maken de beleggers die sparen voor hun pensioen zich nu grote zorgen.
"Die vrees is ongegrond", zegt Philippe Colle, gedelegeerd bestuurder van de beroepsfederatie Assuralia. "Niet minder dan 78% van de gelden van de tweede pijler zit in groepsverzekeringen.
Die zijn goed voor 5.975 miljoen euro aan jaarlijkse bijdragen en 54.730 miljoen euro aan reserves. Daarvoor krijgen de werknemers een vast rendement, gewaarborgd door de wet-Vandenbroucke (3,75% voor de werknemersbijdrage en 3,25 % voor de werkgeversbijdrage). Zij zijn dus goed beschermd. Bovendien bestaat het overgrote deel van de spaarformules uit Tak 21-levensverzekeringen met een kapitaalgarantie en een vast rendement. Weinig groepsverzekeringen (3 %) zijn gekoppeld aan een Tak 23-beleggingsfonds met aandelen. De groepsverzekeringen beleggen voor 79% in obligaties, 6% in aandelen, 1 % in vastgoed en 7% in diversen."
Volgens Philippe Neyt zullen de premies van de groepsverzekeringen echter flink stijgen door de huidige malaise op de beurs. Colle spreekt dat tegen: "De verzekeraars zijn wettelijk verplicht om al hun voorziene uitkeringen te dekken door activa. De Nationale Bank van België, de publieke toezichthouder, controleert om de drie maanden of ze beschikken over voldoende reserves. Het publiek hoeft zich dus geen zorgen te maken. Maar mochten de crisis en de lage rentevoeten nog lang aanslepen, dan zal het wel steeds moeilijker worden om het opgelegde rendement (3,75 en 3,25%) te blijven waarborgen. Indien de verzekeraars die doelstelling niet halen, moeten de werkgevers wettelijk het verschil bijpassen. De regering kan haar ogen niet blijven sluiten voor dat probleem."
Fiscale aftrek
Voor de Belg volstaat het wettelijk pensioen niet meer om zijn levensstandaard te kunnen behouden nadat hij is gestopt met werken. De gemiddelde pensioenuitkering bedraagt 970 euro per maand. Daarom kiezen steeds meer mensen voor bijkomende spaarformules, die bovendien worden gestimuleerd door de regering. Door de fiscale aftrekken heeft de overheid min der inkomsten. Toch maakt Assuralia zich sterk dat de overheid ook geld verdient met de tweede en de derde pijler van het pensioenstelsel.
Philippe Colle: "Net zoals de socialezekerheidsbijdragen voor het wettelijk pensioen mogen werkgevers hun premies voor groepsverzekeringen of bedrijfspensioenen aftrekken van hun belastbare winst. Daar bestaat er dus geen verschil in kostprijs tussen de eerste en de tweede pijler. Ais de regering de uitkeringen van het wettelijk pensioen verhoogt, komt dat voor honderd procent ten laste van de overheid. De factuur van de belastingvermindering voor de tweede pijler bij een gemiddelde aanslagvoet in de vennootschapsbelasting (26,4 %) bedraagt 1500 miljoen euro op jaarbasis (cijfer van 2008). Maar daartegenover staat dat de aanvullende pensioenen niet minder dan 1200 miljoen euro opbrengen aan heffingen (premietaks, RSZ bijdrage, RIZIV en eindbelasting). De netto-uitgave voor de overheid bedraagt dus 300 miljoen euro." Colle merkt ook op dat de markt van de tweede pensioenpijler vrij recent is en dat ze nog flink groeit. Het aantal nieuwe aansluitingen stijgt sneller dan het aantal pensioneringen. Philippe Colle: "Dat maakt dat de fiscale aftrek van de bijdragen vandaag zwaarder doorweegt dan de belasting op het moment van de pensioenuitkering. Het gros van de inkomsten krijgt de staat aan het eind van de rit (10 of 16,5% van het totale kapitaal, plus de RIZIV- en de solidariteitsbijdrage). Hoe meer groepsverzekerden in de komende jaren met pensioen gaan, hoe meer belastingen de overheid dus zal ontvangen. Als de regering nu het fiscale voordeel van de groepsverzekering of het bedrijfspensioenfonds gaat afschaffen, zal die operatie dus maximaal 300 miljoen euro opleveren. Met dat bedrag los je het probleem van het wettelijk pensioen - met een jaarlijkse kostprijs van 32 miljard euro - niet op."
Bovendien wordt de fiscale aftrek voor groepsverzekeringen of bedrijfspensioenfondsen ruimschoots gecompenseerd door het loonplafond op he t wettelijk pensioen. Colle: "Terwijl de bijdrage (16,5%) wordt geheven op het volledige loon, krijgen de werknemers geen individuele pensioenrechten meer boven een bepaald bedrag (47.960,29 euro in 2011). Daardoor bespaart de overheid jaarlijks 1,1 miljard euro. Als je daarmee rekening houdt, levert de tweede pensioenpijler de schatkist netto 500 miljoen euro per jaar op."
Notionele rekeningen
De kosten van de vergrijzing nemen jaarlijks toe. Ais er niets verandert, zal de regering tegen 2030 niet minder dan 21,5 miljard euro – evenveel als het huidige begrotingstekort bijkomend op tafel moeten leggen om de wettelijke pensioenen en de gezondheidsuitgaven te kunnen betalen. Zou het Scandinavische model met de notionele rekeningen dan geen soelaas kunnen bieden? Dat houdt in dat de overheid voor iedereen die met pensioen gaat, een virtueel kapitaal berekent aan de hand van de bijdrage die hij gedurende zijn hele loopbaan heeft geleverd aan het pensioenstelsel. Dat notionele kapitaa1 wordt omgezet in een lijfrente met een rentevoet die rekening houdt met de pensioenleeftijd en de levensverwachting op dat moment.
"Dat systeem maakt de zaken zichtbaarder en kan mensen er dus toe aanzetten om langer te werken", zegt Colle. "Vroeger stoppen betekent dat je minder pensioen krijgt. De bijdragen geven dus rechten op papier; hoeveel rechten iemand heeft, wordt pas vastgelegd als hij met pensioen gaat. Toch blijft de vorige generatie dan de oude financieren - het systeem van de repartitie. De vergrijzing blijft dan een knelpunt. Bovendien veroorzaakt het nieuwe systeem bijkomende problemen. Het principe dat elke bijdrage in het systeem evenveel opbrengt, leidt ertoe dat er een verminderde solidariteit is van hogere naar lagere inkomens. Vandaag is er wel een herverdelingseffect dankzij de sociale bijdragen boven het loonplafond."
Notionele rekeningen impliceren ook dat de pensioenrechten worden gegenereerd voor het loondeel boven het pensioenplafond, wat vandaag niet het geval is. Colle: "Dat is slechts mogelijk via een verhoging van de sociale bijdragen. Daarvoor krijgen de werknemers echter niet meer pensioenrechten, want de uiteindelijke vergoeding zal pas worden berekend op de pensioenleeftijd, afhankelijk van de beschikbare middelen. Ten slotte zou het systeem van de notionele rekeningen de indruk wekken dat de pensioenen gekapitaliseerd zijn. In feite gebeurt de financiering nog altijd via een repartitie, waardoor we dus geen stap verder staan."






